DE OUDE HERBERG MET HET BRUGHUIS Opnieuw is thans een oud stukje Giessenburg de verdwijning nabij. Het verwarmingsbedrijf van Harrewijn in de Brugstraat met de werkplaats op de hoek wordt afgebroken. Er komt een aantal woonhuizen voor in de plaats. Voor 1915 behoorde dit gebouw met het schildersbedrijf van Boeter in de Dorpsstraat tot één complex genaamd 'De oude herberg met het Brughuis en het rechthuis'. In dit artikel wordt de geschiedenis van deze panden beschreven. Ook krijgen verwante onderwerpen de aandacht. Zo wordt iets gezegd over het brugrecht, de rentmeesters van de heer van Giessenburg en de vergaderplaats van de gemeenteraad. Tot en met het begin van deze eeuw heeft het gebouwencomplex dienst gedaan als tolhuis, koffiehuis, logement, uitspanning en vergader-lokaal. Reizigers zetten hun paard op stal en konden er overnachten in de witte kamer, de blauwe kamer of de parenkamer. Er was gelegenheid tot het balspel in de Kolfbaan 1). In de fraaie theekoepel in de tuin aan de Giessen kon men zich laten bedienen. De waard van de herberg huurde het gebouw van de heer van Giessenburg. Ook pachtte hij de tol op de brug, telkens voor een jaar. Met het toltarief van enkele centen moest hij proberen elk jaar wat over te houden van de betaalde pacht. Bij afwezigheid of drukke bezigheden van de waard fungeerde zijn vrouw als tolgaarderes. Enige vastigheid had de waard met het verhuren van de lokaliteiten aan de polder, de gemeente en aan verenigingen. Het bestuur van de polder en van de gemeente hebben regelmatig ruimten in het Brughuis voor een bepaalde tijd gehuurd als vergaderruimte. Hoe de verdiensten van de waard verder opgebouwd waren is moeilijk te zeggen. De hotelkamers zullen ook niet altijd bezet zijn geweest, hoewel er vroeger meer gereisd werd dan we denken. De baron had een eigen kamer op de bovenverdieping, waar hij doorgaans eens per jaar logeerde. Zijn rentmeester presenteerde hem dan de rekening van zijn bezittingen in het dorp. Dat gebeurde dus in de kamer van de baron 2). Oorspronkelijk had alleen de landsheer het recht om bruggen te bouwen over rivieren en tol te heffen op wegen en wateren. Dergelijke rechten worden regalia genoemd. In de loop van de Middeleeuwen werd het recht op een rivier of weg steeds meer in leen uitgegeven 3). Voor Giessen-Nieuwkerk en Giessenburg wordt in 1490 voor het eerst gesproken over het brugrecht dat de toenmalige heer van Giessenburg, Jacob van Wena, in leen ontvangt. Of er toen al een brug was, of dat er toen voor het eerst een brug gemaakt werd, is onbekend 4). Wanneer men later de brug tegenkomt, wordt hij vrijwel altijd Tolbrug genoemd. Blijkbaar is er vrijwel direct een tol op gevestigd. Dit is ook logisch: de heer had het recht ertoe en daarmee ook de plicht om voor het onderhoud van de brug te zorgen 5). In 1521 werd de tol verpacht voor 16 schilden. De waarde van dit bedrag is moeilijk te bepalen. Ter vergelijking kan gelden: de visserij was toen verpacht voor 14 schilden, de accijnzen op alcohol leverden jaarlijks 10 schilden op 6). Zestig jaar later, in 1583, zijn de inkomsten 'gestegen' naar f 16:15:=. In dat jaar brengt de visserij meer op: f 18:=:= 7). Zonder onderbreking is de Giessen-brug en de tol in het bezit geweest van de respectievelijke heren van Giessenburg. Eigenaars en bewoners 17e eeuw Wie er in de loop van de eeuwen de eigenaars van het Brughuis geweest zijn, is niet helemaal duidelijk. Een aardige vraag is al, of er altijd op deze plaats een dergelijk pand heeft gestaan. We weten zeker dat in 1691 het pand op de hoek van de Dorpsstraat en de Brugsteeg gekocht werd door Willem Cabauw uit de boedel van de overleden Anna Florentina van den Boetzelaer, weduwe van Lodewijk van Marloth, heer van Giessenburg. Hij betaalde er f 900:=:= voor. Daarnaast was hij toen nog twee jaar achterstallige huur verschuldigd, totaal f 120:=:=. Minstens vanaf 1689 woont hij er al. In dat jaar was hij, samen met zijn vrouw, de tolgaarder 8). In 1694 verdiende de heer over een heel jaar f 150:=:= aan het Brughuis en de tol. De heer moest over deze inkomsten f 16:11:= belasting betalen. Ook werd er toen nog apart pacht betaald voor de grond waar de schuur op stond: f 4:=:=. Blijkbaar was toen de brug een drukkere verbinding dan in de zestiende eeuw. Vergeleken met de visserij bracht de tol aan het eind van de zeventiende eeuw vijf keer zoveel op, terwijl het bedrag in de zestiende eeuw voor tol en visserij nog bijna gelijk was 9). Mogelijk is rond 1696 het pand verbouwd of is er een nieuw pand gezet. In ieder geval is rond die tijd het Brughuis geworden zoals het in het begin van deze eeuw er nog uitzag. Bij de verkoop van 1920 werd namelijk gesproken over een glas-in-loodraam dat de koper niet kreeg. Het werd door de gemeenteraad geschonken aan het Waterschap 'de Overwaard'. Het is nog steeds te zien in het waterschap huis aan de Elshout. Op het raam staat het wapen van Rochus Coxius met het jaartal 1696 10). Deze Rochus Coxius woonde niet in het Brughuis. Hij bezat een huis in Meerkerk, maar meestal woonde hij in Rotterdam. Hij werd secretaris-penningmeester van de Overwaard op 29 september 1688 11). Mogelijk heeft hij de zaal waar de heemraden van de Overwaard vergaderden, bij de nieuwbouw laten versieren met zijn wapen. We bezitten uit de achttiende eeuw een tekening van het dorp Giessen-Nieuwkerk. Zij is gedateerd 1733. Duidelijk is op deze tekening te zien dat het Brughuis er toen al in dezelfde vorm stond, zoals het 80 jaar geleden nog was 12). In 1730 betaalde Matthijs Willemsz. Cabauw de verponding voor een huis met nummer 58. Hij is de zoon van de hierboven genoemde Willem Ca-bauw die in het Brughuis woonde. Mogelijk is dit hetzelfde huis, maar zeker is dit niet 13). Deze Matthijs Cabauw was gehuwd met Adriaentje van Blenckvliet, de oudste dochter van Johannes van Blenckvliet en Maria van Benschop. Nu stamt de genoemde Maria van Benschop uit een geslacht dat tientallen jaren bewoner geweest is van het huis waar het gerecht vergaderde. Zo werd op 13 januari 1650 rechtsdag gehouden in het huis van Jacob van Benschop 14). Omdat ook het huis van Willem Cabauw tussen 1689 en 1700 aantoonbaar als rechthuis in gebruik is geweest 15), zouden we de bewoners van het Brughuis kunnen zoeken in de familie Van Benschop 16). Pikante verhalen Er zijn enkele pikante verhalen gevonden uit de zeventiende eeuw, waarbij het huis van Hester van Balen of het rechthuis betrokken was. Mogelijk betreft dit dus steeds het Brughuis. Allereerst op zondagmiddag 15 juni 1670. Vijf schepenen breken in bij de baljuw, de heer Couwenberg. Ze nemen de kist met het archief mee en brengen hem in het huis van Hester van Balen dat toen ook al fungeerde als rechthuis. Men neemt aan dat de baron zijn baljuw niet vertrouwde en de mensen van het gerecht hiertoe had aangezet 17). Drie jaar later, op zondag 23 juli 1673 gaat het weer mis. De vrouwe van Giessenburg, de weduwe van Lodewijk van Marloth, was in haar koets met haar twee dochters naar de kerk gekomen. Na de preek krijgt ze woorden met ene mijnheer Van Wijngaarden uit Den Haag. Hij wil wat laten voorlezen in de kerk. Het was toen namelijk gebruikelijk om 's zondags in de kerk ook proclamaties voor te lezen, omdat dit de enige keer in de week was, dat het volk bij elkaar was 18). Mevrouw wil echter dat stuk eerst zelf inzien. Er ontstaat een woordenwisseling. Mevrouw vlucht uit de kerk het huis van Hester van Balen in en ontvangt van de Hagenaar een schop tegen haar achterste... Goed raak dus... Hiervoor gaat hij de gevangenis in en moet f 1.000 boete betalen 19). Weer zeven jaar later op 7 augustus 1680 gebeurt het volgende. Nu bevindt zich de 'gemeenelandskist' met de archieven in het rechthuis. De schepenen laten een smid uit Gorinchem het slot open vijlen waarvan alleen de baljuw de sleutel heeft. De sleutel van het andere slot hebben ze wel. Weer een geval dat de schepenen hun baljuw niet vertrouwden 20). Eigenaars en bewoners 19e eeuw Later kwam het Brughuis weer in bezit van de heer van Giessenburg. Wanneer dit gebeurd is, is niet bekend. Al voor 1800 woonde Johan George Beijer in het pand. Mogelijk was hij al in 1792, toen hij huwde met Catharina van der Sluis, bewoner ervan 21). Hij was zelf rentmeester van de heer van Giessenburg. Hij huurde het Brughuis, de brug en de daarbij behorende tol tot 1811 van de heer voor f 300,=. In 1809 behoefde hij slechts de helft te betalen in verband met de overstroming van dat jaar. Na zijn overlijden in 1811 bleef zijn weduwe, Catharina van der Sluis, nog enkele jaren in het huis wonen. Het rentmeesterschap werd overgenomen door hun schoonzoon Huibert Verheul 22). In 1830 woont de weduwe Beijer niet meer in het Brughuis, maar in een huis aan de Dorpsstraat ter hoogte van de Lijnbaan 23). Genoemde Huibert Verheul was een zoon van Arie Ariensz. Verheul en Maria den Toom. Hij is gedoopt in Giessen-Nieuwkerk op 25 juni 1780. Hij was herbergier te Giessen-Nieuwkerk, bode van de Overwaard en assessor (wethouder) van Giessen-Nieuwkerk. Hij overleed te Giessen-Nieuwkerk op 17 juni 1849. Hij woonde ook in het Brughuis en combineerde zo, evenals zijn schoonvader, zijn rentmeesterschap met het tolgaarderschap. De huur was ondertussen wat gestegen tot f 350,= per jaar. Toen hij overleed zijn de twee functies gescheiden. Zijn oudste zoon, Jan Willem Verheul, huurde het Brughuis en te tol. Zijn tweede zoon, Johan George Verheul, werd de nieuwe rentmeester. De laatste bleef dit tot 1878. Jan Willem Verheul heeft het Brughuis bewoond tot 1 mei 1870. Elk jaar betaalt hij trouw f 350,= aan zijn broer de rentmeester. Alleen het seizoen 1869-1870 is er door onbekende reden minder betaald: f 321,25 24). De laatste vier jaar werd de raadkamer in het Brughuis niet meer van de heer gehuurd, maar van Verheul zelf. Hij ontving hiervoor f 30:=:=. Voorwaarde voor dit huurcontract was wel, dat hij ontslag nam uit de gemeenteraad. Hiervan maakte hij deel uit van voor 1859. Rond 1870 heeft Jan Willem Verheul een pand laten zetten tegenover het Brughuis (nu Dorpsstraat 61-63). Op 29 maart van dat jaar besloot de gemeenteraad om de raadskamer te verplaatsen naar de nieuwe woning van Verheul. Hij kreeg hiervoor per jaar f 15,= aan huur en f 15,= voor 'vertering' 25). De opvolger van Jan Willem Verheul als huurder van het Brughuis, vanaf 1870, was J.H. van Diepenbrugge. De huur was inmiddels gestegen naar f 550,= penjaar. Ook vroeg de heer apart f 5:=:= als pacht van het viswater onder de brug. Op 1 april 1874 werd de huur weer verhoogd. Van Diepenbrugge moest toen f 575,= gaan betalen 26). In het begin van deze eeuw heette de logementhouder Arie Muilwijk. Hij was in Giessen-Nieuwkerk geboren op 11 juni 1856 als de jongste zoon in het grote gezin (14 kinderen) van Pieter Muilwijk en Grietje Donk. De meeste van zijn broers en zussen waren jong gestorven. Hij trouwde Aaltje van de Koppel en zij kregen samen 7 kinderen. Ook hiervan stierven er enkele op jonge leeftijd. Eén van zijn dochters, Adriaantje Elizabeth (geboren 9 juli 1884), huwde Floor Hamerpagt. Zij vertelde eens dat ze als jong meisje en dochter van de caféhouder elk jaar het huis moest schoonmaken en dat het een vreselijk karwei was. Arie Muilwijk is herbergier en tolgaarder geweest tot 1 mei 1920. Toen was de brug met het Brughuis al enige jaren van de gemeente, maar het huurcontract dat door de heer (of mevrouw) van Giessenburg met Muilwijk was gesloten, liep pas in 1920 af. Natuurlijk moest hij nu aan de gemeente betalen. Over 1914 kostte hem dat nog f 383,33. De volgende jaren werd de huur bepaald op f 575,=, terwijl hij in 1919 f 600,= moest betalen 27). Rentmeester en gemeenteraad Rentmeester omstreeks de eeuwwisseling was Leen Harrewijn. Mogelijk is hij dit geworden kort nadat hij zich in 1876 in Giessen-Nieuwkerk vestigde 28). Na zijn overlijden in 1924 werd hij in deze functie opgevolgd door zijn jongste zoon Adriaan ( geboren 1895, overleden 1948). Weer later was diens zoon Leendert rentmeester. In tegenstelling tot wat veel gedacht wordt, vergaderde de gemeenteraad in het begin van deze eeuw niet in het Brughuis. Nog steeds was het café van Verheul de raadkamer. Jan Willem Verheul was ondertussen in het beheer ervan opgevolgd door Johan George Verheul. Deze Verheul heeft in 1917 de gemeente verzocht zijn uitspanning tot 11 uur 's avonds open te mogen houden. Dit verzoek werd door de gemeenteraad afgewezen. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog werd de huurprijs voor de raadskamer verhoogd naar f 50,=, dit in verband met de alom gestegen prijzen. In december 1919 besloot de gemeenteraad het huurcontract met Verheul voor een halfjaar te verlengen voor f 50,=. Dat halfjaar leverde Verheul dus de volledige huursom op. Pas per 1 juni 1920 nam de gemeenteraad haar intrek in het Brughuis, dat ondertussen eigendom van de gemeente was geworden 29). De verkoop van 1914 en 1920 In 1914 kocht de gemeente na lang vergaderen de oude herberg en het Brughuis van de baron voor f 14.000,=. De eerste gedachten over koop stammen uit 1868 30). De Kolfbaan werd in 1914 gekocht door de boerenleenbank, omdat het statutair deze bank niet was toegestaan zomaar een subsidie te geven voor de koop. In 1918 kwam de Kolfbaan, die toen als bergplaats werd gebruikt, in handen van de gemeente 31). Ook andere instellingen leverden een bijdrage, doorgaans in de vorm van een geldlening. Tot financiële ondersteuning van andere gemeenten is het niet gekomen 32). In 1917 werd het gehele pand verzekerd tegen brandschade. De verzekerde som was f 8.000,= 33). In 1919 besloot de gemeente het complex in 4 percelen op te delen en 3 percelen te verkopen. Met het verkopen van het Brughuis was meteen ook de tol voorgoed van de baan. De laatste 50 jaar was er nogal wat strijd geweest over het wel of niet handhaven van de tol-inning. De pachter, in naam van de eigenaar van de tol, die ook eigenaar was van de brug, bleef nog wel eens in gebreke met het onderhoud van de brug. Dit duurde steeds net zo lang tot de gemeente het dan maar weer opknapte 34). Perceel 1 (155 m2), de Kolfbaan en 2 (169 m2), de oude herberg kwamen in bezit van weduwe De Vries voor f 3.810,=. Bedrijfsleider in haar schildersbedrijf was Aalbert Vonk (1890-1984) uit Molenaarsgraaf. De Kolfbaan werd afgebroken en maakte plaats voor een schilders-werkplaats. In de oude herberg met de erker ging de nieuwe eigenares wonen met haar dochter Adri. Perceel-?4 (284 m2), de noordzijde van het Brughuis, werd voor f 5.375,= verkocht aan J.H. Robben. Deze man was met zijn gezin afkomstig uit Noord-Brabant, Boxmeer. De oude heer Robben is een ondernemend man. Hij legt een betonnen vloer in de gelagkamer en breekt de buitenmuur open. Het wordt een autoherstelplaats met een schuifdeur aan de straat. De zwarte houten schuur, de paardenstal, met het witte tariefbord van de tol wordt omgebouwd tot winkel met dubbel woonhuis aan de Giessen-kant. Zelf woont Robben aan de oostkant en tot ongeveer 1930 verhuurt hij de westvleugel aan A.D. de Vroomen, de toen bekende verzekeringsagent. Perceel 3, de zuidzijde van het Brughuis, werd het gemeentehuis. Tot 1931 werden in dit pand de huwelijken al voltrokken. Op 13 mei 1921 besloot de gemeenteraad om een slot op de wc-deur aan te brengen. Aan de buitenkant..., opdat niet iedereen er zomaar gebruik van zou kunnen maken 35). Op 11 juni 1920 machtigde de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders tot aanbesteding van het schoonmaken en -houden van brug, secretarie en raadkamer. Dit was de eerste vergadering in het Brughuis. Eind augustus werd medegedeeld dat de aanbesteding van het schoonhouden van het gemeentehuis en de brug is gegaan naar J.H. Robben' voor respectievelijk f 155,40 en f,49,= 36). De scheiding tussen perceel 3 (het raadhuis) en perceel 4 (het pand van Robben) lijkt niet zo duidelijk geweest te zijn. Misschien dat hierbij de functie van Robben als schoonmaker een rol speelde. In het najaar van 1921 kwam de gemeenteraad ter ore dat Robben in de kleine keuken, behorende aan de gemeente een wc gemaakt heeft, die loosde in de put van het gemeentehuis. Ondanks dat dit tegen de regels was, heeft de gemeenteraad er geen moeite mee. Rond dezelfde tijd besloot de gemeenteraad dat de kelder onder het nieuwe raadhuis per 1 januari 1922 niet meer wordt verhuurd. Het lijkt dat deze ruimte ook door Robben gebruikt werd. Hij kreeg namelijk half januari 1922 de opdracht haar te ontruimen 37). Vanaf 1932 Toen in 1932 het nieuwe gemeentehuis, nu museum Het Reghthuis, klaar was, verkocht de gemeente het oude raadhuis met bovenwoning aan Cornelis Harrewijn (geboren 1878), zoon van de bovengenoemde Leendert. Hij betaalde op 2 april 1932 voor het perceel f 4.425,=. Bij deze verkoop werd bepaald in artikel 3: "De tegels in de wc worden door de verkoopster uitbehouden en alzo niet mede verkocht". 38). Dit betreft het tegeltableau dat zich momenteel in de raadzaal van het gemeenschapshuis 'De Til' bevindt, naast de schouw. Dit tegeltableau bevond zich oorspronkelijk niet in de wc. Later is er een wc voor gebouwd. Zijn twee oudste zonen, Leendert en Hendrik Johannes, maakten van het pand een soort toonzaal met huiskamerlampen aan de zolder, fietsen en kachels op de begane grond. Drie jaar later, in 1935, werd het middendeel van het Brughuis verbouwd tot autoreparatie-werkplaats met een smeerkuil. In de oorlog (1941) kocht Leendert Harrewijn het woonhuis aan de Giessen met winkel en werkplaats van de heer Robben. In 1957 werd het tussengedeelte in de Brugstraat vernieuwd en als winkel in gebruik genomen. Gerard Harrewijn (geboren 1931), die aanvankelijk veel elektrische apparaten en artikelen verkocht, specialiseert zich tenslotte in centrale verwarming. In 1964 renoveert hij ook het woonhuis aan de Giessen. Dit woonhuis had de heer Robben in de jaren '20 gebouwd op de plaats van de houten paardenstal. De oude hoek van de Brugstraat is gebleven zoals hij altijd is geweest en werd gebruikt als werkplaats. De woning erboven werd magazijn. Ondanks alle veranderingen is dus toch nog een gedeelte van het laat-zeventiende-eeuwse pand bewaard gebleven. Er zijn nu gedurende zes jaar twee garagebedrijfjes in het gebouw. Garagehouder Henk Robben in de Brugstraat overlijdt op 31 oktober 1941 op 34-jarige leeftijd. Kort daarna verkoopt zijn vader J.H. Robben de werkplaats met winkeltje en woonhuizen aan L. Harrewijn. De werkplaats wordt in de oorlog gebruikt als opslagplaats voor gasgeneratorbrandstoffen. In 1957 wordt het middengedeelte in de Brugstraat tot de grond toe afgebroken. Er komt een showroom voor de firma L. Harrewijn & Zonen. Ongeveer in 1964 wordt het woonhuis aan de Giessen vernieuwd. Het oude gedeelte op de hoek van de Brugstraat komt in 1970 ook aan de firma. De heer Boeter was in 1956 eigenaar geworden van schildersbedrijf Weduwe De Vries. Dit is dus het gedeelte dat eertijds de oude herberg met de kolfbaan werd genoemd. De gemeente Giessenlanden is thans bezig de gebouwen te kopen van de huidige eigenaren, de heren Boeter, Harrewijn sr. en Harrewijn jr. (c) C. Harrewijn/P. Verrips Aanvulling op het artikel: DE OUDE HERBERG MET HET BRUGHUIS Wie woonden er allemaal in onze eeuw in het grote huis? In de vorige Kroniek hebben we gelezen dat eeuwenlang alleen de waard er woonde met zijn gezin. Dat was in het huis met de erker in de Dorpsstraat. De laatste logementhouder, A. Muilwijk vertrok in 1920. In het huis met de erker gaat nu weduwe De Vries met haar dochtertje Adrie wonen. Omstreeks 1956 neemt schilder Boeter het bedrijf over en woont er nu al weer meer dan 40 jaar. De oude erker bevatte drie flinke ramen, lang geleden voorzien van zogenaamde blinden, die 's nachts werden gesloten. Op 29 oktober 1956 wordt deze erker door een vrachtauto zodanig beschadigd dat er een nieuwe gemaakt wordt, die wat minder uit de gevel steekt. We gaan nu naar de Giessenkant. Daar woonde sinds 1921 J.H. Robben met vrouw, zoon Henk en dochter Annie en in het westelijk gedeelte verzekeringsagent A.D. de Vroomen. Ongeveer in 1930 bouwt J.H. Robben een huis voor zichzelf aan de Kerkweg om ruimte te maken voor zijn zoon Henk met zijn gezin. De Vroomen vertrekt in die tijd en gaat wonen naast de burgemeester. De nieuwe westelijke bewoners worden nu Piet den Toom, zijn vrouw Gijsje de Krey en hun dochter Adrie. Ze wonen er tot 1953. In het huis bij de brug woont in 1942 boekhouder Koos van Willigen met zijn vrouw Mets Swets. Als deze mensen kort na de Tweede Wereldoorlog verhuizen naar Gorkum komt Peet Oskam er in met zijn gezin. In 1953 krijgt Gerard Harrewijn er onderdak met zijn vrouw en kinderen, terwijl in het westelijk gedeelte elektricien Toon (?) eger en zijn vrouw Suze Dekker zich vestigen. Deze twee woningen worden in 1964 verbouwd tot één royaal woonhuis voor Gerard Harrewijn niet vrouw en vijf jongens. Ze wonen er tot omstreeks 1972. Vervolgens huurt de familie Ger de Zeeuw het luis een jaar of twaalf. Op 1 juli 1985 trekken de laatste bewoners, Henk Harrewijn Gzn. met vrouw en kinderen er in. In 1999 koopt de gemeente zijn huis voor de aanstaande reconstructie van de Brugstraat. We keren terug naar de hoek Brugstraat-Dorpsstraat. We hebben gelezen dat het voormalige gemeentehuis beneden na 1931 wordt gebruikt als toonkamer, maar boven is nog een flink bovenhuis met diverse ruimtes. Met enkele veranderingen wordt hier een woonhuis van gemaakt. Een bovenhuis dus, dat als eerste bewoners ziet komen Jan Vreem en zijn Duitse vrouw Lotje. Hij is van beroep vee verloskundige en woont er tot 1935. Op 14 december 1935 gaat Maarten van Asperen Dzn. met zijn jonge vrouw Willempje den Toom naar het bovenhuis. Ze wonen er bijna 28 jaar tot 1963. Daarna wordt het nog even verhuurd aan Woltman en dat is hier de laatste bewoner. De laatste 35 jaar heeft het dienst gedaan als magazijn voor Harrewijn Warmtetechniek. Dit oudste gedeelte, dat bepaald geen sieraad meer is voor de Dorpsstraat, is eveneens door de gemeente gekocht om over een paar jaar te worden afgebroken. C. Harrewijn. Dorpsstraat 066a Brugstraat 13

Dorpsstraat 066a Brugstraat 13

Dorpsstraat 066a Brugstraat 13